9. Voorspelde Vijanden

De klap tegen haar lichaam was zachter dan ze had verwacht, maar de klap tegen haar gedachten was loeihard. Ze had het vermoeden dat haar ouders de krokodillen veel groter maakten in hun verhalen dan ze echt waren. Nou, deze was nóg groter dan dat, alsof het een dinosauruskrokodil was. Ze wist niet hoe dat kon. Maar ze bevroor van binnen en van buiten, en lag tussen twee modderhopen te wachten tot het voorbij was.

Geen krokodillenbeet kwam. De goden zwaaiden met hun armen en hielden het beest in bedwang. Ionadanaris was blij het leven te hebben, maar ze hoorde ook meteen moeders stem. Ze hoorde altijd moeders stem. Je moet de krokodil alleen verslaan. Geen hulp. Geen valsspelen. Alleen dan komt het gif terug.

Maar—KROKODIL! Ze durfde er nauwelijks naar te kijken. Als zij het niet redde, was er niks meer over van haar kant van de familie. En ze had toch net geleerd dat krokodillen hélemaal niks met hun gif te maken hadden?

Een leven van waarschuwingen en voorspellingen, echter, kon je niet zomaar overwinnen door na te denken. Ze was al opgestaan en naar de krokodil toegelopen. Haar hoofd had allang besloten dat zij de krokodil moest verslaan, en dat zij dus de Giftige Beet terug zou brengen, en al die andere mooie woorden die ze haar hele leven elke dag had gehoord. Als ze het niet deed, voelde ze haarzelf de rest van haar leven een waardeloze mislukkeling.

“Stop met toveren,” riep ze tegen de goden, die direct hun poten lieten vallen. “Ik vecht dit wezen … alleen.”

“Maar—” Bella snoerde Eeris de mond. Zij kenden vast ook de mythe. Misschien hadden zij er wel iets mee te maken—had Ardex daadwerkelijk een spreuk gezet op het verslaan van een krokodil.

Het krokodillenhoofd draaide langzaam om, schokkerig, alsof het haar kleine lichaam niet eens kon vinden en niet wist waar het geluid vandaan kwam. Krokodil! Krokodil! Krokodil!?

Het lichaam leek blokkerig en onhandig in het flauwe maanlicht, alsof de krokodil ook te groot was voor diens eigen huid. De tanden waren groot, maar niet al te scherp. De staart kwam maar langzaam in beweging. Deze krokodil was overwinbaar. Ionadanaris wist niet of al deze dingen waar waren, of dat ze het haarzelf vertelde om moed te verzamelen.

Moed die ze nu nodig had.

Het wezen zoefde op haar af. Zijn snuit raakte alleen modderhopen. Zij sprong opzij en rolde naar zijn poot. Met al haar kracht sloeg ze ertegenaan, en tot haar verbazing brak ze een teen, die meteen scheef stond. Het groene monster gromde niet, maar zakte wel door die poot.

Ze rolde verder naar de achterpoot en deed hetzelfde. Deze keer wist ze waar ze moest mikken en kreeg twee dingen verschoven. De krokodil kantelde op zijn zij, maar rechtte zich met zijn snuit en ze merkte pas laat dat zijn staart als een wurgslang om haar heen trok.

Ze beet van haar af en haalde een stukje uit de staart. Ook hierop reageerde de krokodil niet eens, behalve dan door even de controle over zijn staart te verliezen. Hoe veel happen moet ik nemen voordat het bang wordt? dacht ze in paniek.

Steenformaties rondom de troon, aangelegd door Darus, vormden in haar ogen zo’n trap. Ze rende erop af, ontweek een zwiepende staart, en sprong van steen naar steen, hoger en hoger, totdat ze boven het hoofd van de krokodil uitkwam.

Het keek op. Zij sprong van bovenaf op zijn hoofd, maar haar tegenstander opende op het laatste moment zijn bek. Ze krijste. Ze viel hopeloos in zijn tanden, niks om vast te grijpen, nergens redding.

Maar de bek sloeg te vroeg dicht. Ze landde op het puntje van zijn neus, levend en wel, en beet meteen naar zijn ogen. Ze voelde niet dat ze hem raakte, maar de ogen sloten en de krokodil wankelde. Ik kan dit. Het maakt niet uit hoe vaak ik moet happen, ik doe het.

Hij viel bijna op zijn rug, maar draaide razendsnel om, waardoor hij meteen op de buik lag en kon afzetten voor een aanval. Zij zweefde weer in de lucht en probeerde haar poten onder haar te krijgen. De val was ver, maar ze—

Ze bleef hangen in iets. Een draadje, gespannen in de lucht, vlakbij de rivier. Een hengel!

Haar klauwen knepen het fijn en ze bedankte het draad duizend keer. Ze schommelde heen en weer, tientallen meters boven de grond, terwijl de krokodil inschatte of hij die sprong kon halen. Het waren geen springende beesten, het waren sluipende beesten, vlakbij de grond en in het water. Ze dacht veilig te zijn—ze dacht verkeerd.

Het draadje knapte onder haar gewicht. Ze zette nog net af tegen een boomstam, zodat ze een laatste schommeling omhoog maakte en met flinke snelheid over de krokodil heen vloog. Hij hapte naar haar, maar ze was al vijf meter verder. De snelheid was niet genoeg, en dat maakte haar bang én verbaasd. Ze moest in een paar hartslagen tien boomlengtes hebben gevlogen, maar de krokodil zat op haar hielen, op precies dezelfde afstand.

Ik kan dit niet. Dat wezen is oppermachtig! Ze landde hard op de vloer. Zo hard, dat ze haar poten daarna niet meer voelde. Plat op haar buik, probeerde ze toch terug te glibberen, als—als een slang. De krokodil hapte opnieuw, maar ze was al naar zijn andere poten geslingerd. Ze hapte en hapte, totdat hij daar ook doorheen zakte. Nu probeerde hij zijn poten op te tillen om op haar te staan, maar glibberend kon ze om zijn enkel wikkelen en veilig meegaan in de beweging.

Ze zat vastgeklemd aan zijn borstkas. Het hart. Ga voor het hart. Ze verwachtte een plek te zien die steeds opbolde, met elke hartslag, maar vond niks. Hébben krokodillen wel een hart?

Op goed geluk verzamelde ze haar laatste kracht en beukte, hapte en kraste tegen een plek op zijn borstkas. Voor het eerst gromde het wezen, al klonk het zacht en moeizaam. Ze zwaaide mee met een zwalkende krokodil, alsof iemand op zijn rug zat en probeerde het wilde beest de juiste kant op te sturen, steeds minder zeker op de poten.

Totdat hij de ogen sloot en omviel.

Ionadanaris krijste het uit. “Ik heb het gedaan! Ik heb een krokodil verslagen!” Ze voelde haar lichaam meteen veranderen. Sterker, sneller, zekerder. Ze kon de wereld aan. Ze kon kijken naar het donkere bos en niet de ogen van vijf monsters zien. Ze kon nadenken zonder te worden onderbroken.

Vrijheid. Rust. De Giftige Beet terug?

Haar tegenstander liet de grond beven met zijn landing. En sprong toen uiteen in duizend stukken.

Dat … hoort niet?

Eén van de stukken rolde voor haar voeten. Wat een levend oog had moeten zijn, was een blok hout. Ze keek omhoog en zag het nu duidelijk in de schittering van de maan: tientallen draadjes van hengels kruisten elkaar door de lucht. Aan het ene uiteinde zat een blok van de krokodil, aan het andere uiteinde een glimlachende Gosti in de boom.

Het was een opvoering, voor haar.

Ze hadden razendsnel een krokodil gemaakt van hun dingsels en hiernaartoe gebracht. Daarom stopten de goden zo snel met helpen. Daarom kon ze winnen. Ze had een houten wezen aan draadjes verslagen.

Het veranderde niks.

Ze voelde zich nog steeds sterk en onoverwinnelijk. Ze had een krokodil in de ogen gekeken, denkende dat het een échte krokodil was, en toch de moed gevonden om in beweging te komen en te vechten.

Deze familie accepteerde haar. Haar eigen familie zou haar ook accepteren. Misschien, heel misschien, konden ze weer samen verder.

En ze was écht veranderd.

Een nare zure smaak ging door haar mond. Ze kon het niet stoppen en druppelde de stenen voor haar nat. Stenen die bij de aanraking meteen een stukje afbrokkelden. Haar familie bekeek haar alsof zij een godin was. Ze dromden om haar heen en wilden allemaal haar giftanden aanraken, wat haar dan niet verstandig leek, maar ze konden vast tegen hun eigen gifsoort.

Maar niet alle foutjes hebben goede gevolgen. Ze voelde haar poten niet meer, en die ging ze ook nooit meer voelen. Zoals haar vermogen om gif te maken was aangezet, was haar vermogen om poten te ontwikkelen uitgezet. Want haar voorouders hadden geen poten en zwommen in de zee.

Toch was Donat er als de kippen bij om Ionadanaris te vragen om zijn vrouw te worden. Hij zag een sterke vrouw die sterke kinderen kon krijgen, en meer was in deze tijd niet nodig.

Bij de geboorte van hun eerste kind waren beide kanten van de familie aanwezig. Bij de geboorte van hun tweede kind spraken ze al niet meer over “twee kanten” van de familie. Eeris moest nog honderd keer zeggen dat alle krokodillen hier weg waren, en voor sommige was dat nog steeds niet genoeg. De Gosti konden zich vrij snel over hun angst heen zetten, haar eigen ouders minder goed.

De waarschuwingen over krokodillen stopten. De commando’s, over alles dat je niet mocht doen, stopten. Op aanraden van Ionadanaris werd de slang in de gevangenis van de goden bevrijdt. Hij mocht geen last hebben van wat zijn verre voorouders hadden gedaan of meegemaakt.

Angst en gevaar gingen natuurlijk nooit helemaal weg. Maar hun leven werd niet meer bestuurd door die angst en het gif dat ze daarmee verspreidden.

Vanaf nu gingen ze door het leven als gifslangen. Een soort die—zoals de meeste giftige soorten—nauwelijks meer veranderde en bleef bestaan totdat de mensen kwamen.

Ze kregen felle kleuren, om iedereen te laten weten dat ze maar beter op een afstandje konden blijven. Zelfs een kleine gifslang kon een gigantische krokodil overwinnen. En als kleine dieren plotseling de allergrootste kunnen vellen … gaat de voedselketen opnieuw op de schop.

Kies het lettertype dat je leuk vindt.

Boek

Modern

Speels

9. Voorspelde Vijanden

De klap tegen haar lichaam was zachter dan ze had verwacht, maar de klap tegen haar gedachten was loeihard. Ze had het vermoeden dat haar ouders de krokodillen veel groter maakten in hun verhalen dan…